Laatste nieuws
16 november 2014 - Afgevaardigde ontsnapt aan zelfmoordaanslag  meer
Nieuw Afghaans wetsontwerp dat positie vrouwen en meisjes verslechtert. U kunt helpen dit tegen te gaan!
 meer
Veiligheid van vrouwen en kinderen verslechtert
 meer
Pogingen om rechtvaardigheid voor vrouwen te bewerkstelligen lijken te stoppen

 meer
Duizend dagen extreem leven
 meer

Nahid op facebook

 meer
Start bouw bedrijvengebouw
 meer

Mannen gebruiken de Islam om te doen wat zij zelf willen

 meer
Verklaring vrouwenorganisaties over Tokio Conferentie juli 2012
 meer

Reisverslag 16 aug en 18 sept 2004

Deel 1
Als het lukt hier mijn eerste bericht uit Afghanistan.
(Dat was dus niet gelukt, maar toch hier alsnog.)
Het heeft vijf jaar al niet meer geregend, dus het land is kaal en droog. Althans in Kabul en directe omgeving. In de bergen heeft het deze winter nog wat gesneeuwd en dat is maar gelukkig ook, want nu kan men nog wat electriciteit opwekken. Overdag leven de kantoren op een generator en de huizen op niets. Want benzine (voor de generator) is duur. Meestal is er ‘s avonds na 7 uur weer electriciteit.



Veel mensen hebben wel een koelkast, maar die is kast en niet koel. Een douche overdag betekent koud water, maar dat is hier wel lekker. In de meeste huizen in de stad wordt electrisch gekookt,behalve als er geen stroom komt, dan gaat men over op houtskool.



Privacy is hier moeilijk. Als ik even in de tuin of op het dak ga zitten met een boek, komen er direkt vrouwen of kinderen achter me aan. Want dat hoort bij de gastvrijheid: je gast vergezellen en vermaken. Gelukkig wordt dat nu na een week iets minder.



De familie heeft een hond. Die zit of vast aan een ketting van een meter lang of in een donker en warm hok. Ik heb hem los gelaten en hoewel hij heel bang was, kreeg ik hem zo ver dat hij mijn handen likte en zijn staart iets minder strak hield. Samen met Fardin (9 jaar) ga ik steeds even naar hem toe, laat hem vrij. Nu, na een week zijn de jongens niet meer zo bang en spelen met hem. Elke dag oefen ik met de hond ‘zit’ en ‘kom hier’, maar veel belangrijker is: leren de jongens dat ze niet bang hoeven te zijn voor de hond en dat je een leuk kameraadje kan hebben aan hem. Ze geven hem nu eten op eenzelfde plaats, ze zorgen voor water en ze gooien met de bal. Ze zijn heel enthousiast. Dit alleen al maakt mijn zijn hier goed.



Ik hoef gelukkig niet een sjaal om mijn hoofd. Als ik hem om mijn hals draag is dat genoeg. Op een avond ging ik met twee zonen, die ook Engels spreken, een stukje de heuvel op. Zonder sjaal. Alle mannen keken. Er waren twee mannen op de fiets. Die keken zo lang om naar mij dat ze tegen elkaar botsten. Zie je het voor je? Ze moesten er zelf om lachen. 
Er zat een familie te picnikken. In het stof van zand in de wind, want stof en zand zijn overal. De vrouw had haar burka omhoog gedaan. Maar toen ze mij zag deed ze hem gauw weer voor het gezicht. De jongens zeiden: “Ze denkt dat jij een man bent.” Een van de jongens dacht dat trouwens zelf eerst ook. Maar alle mannen onderweg denken daar dus toch anders over.



Op straat, als ik naar de stad ga en in de bus kijken de mannen onafgebroken. Ik probeer het niet te zien, want ik voel me er boos over. Maar als je ook jaren niet naar vrouwen hebt mogen kijken en eigenlijk dat nu nog niet mag, ben zelfs ik een bezienswaardigheid.



Met Monesa en haar zus Fauzia gepraat over de situatie van vrouwen en van creches. Het valt mij op dat vrouwen steeds maar zeggen: “Maar wat kunnen we doen?” Die houding van slachtoffer en machteloosheid kwam ik ook steeds tegen in Palestina.
Toch vroegen ze mij of ik niet een kantoor wil openen in Kabul om vrouwen te helpen iets te doen. Op mijn antwoord dat het echte werk gedaan moet worden door Afghaanse vrouwen zelf, zeiden ze dat ze met me mee zouden gaan doen. Dus dat schiet niet echt op. Bovendien zijn hier al de nodige ngo’s, maar dat is, zoals over elders, slechts bekend aan een kleine groep mensen. 



Wel nuttig zou het kunnen zijn om iets kleinschaligs en concreets op te starten. Zo is iemand hier bezig om een school voor meisjes op te starten in een dorp 50 kilometer van Kabul vandaan. Een creche wordt het genoemd, maar het is eigenlijk een kleuterschool en een creche tegelijk. Voor kinderen van 0 tot 8, daarna gaan ze naar school. Het was interessant, vol en lawaaiig en toch kaal, want er was nauwelijks materiaal en speelgoed voor de kinderen. De vloeren zijn van beton met in ieder lokaal een kleed om op te spelen. De leerkrachten zijn heel vriendelijk tegen de kinderen. Die komen dan ook vol vertrouwen naar hen toe. 



We (Fauzia en ik) gingen met de bus heen en terug. De bus was hartstikke vol. Alleen de armen reizen met de bus en dus zijn ze vol en warm. Het is hier heel warm: tegen de 30 graden. En ‘s nachts koelt het slechts enkele graden af. Toch is de warmte wel redelijk uit te houden. Je merkt pas hoe warm je bent, als je weer thuis komt.



Voor de deur van het huis zit iedere dag een schoenmaker, van acht tot zes uur. Iedere ochtend ga ik even bij hem langs om “Sobacher” te zeggen. Het is een heel aardig mannetje met nog maar twee tanden. Uit zijn tas haalt hij voor mij een ‘schone’ lap te voorschijn waarop ik kan zitten. Ik kijk wat naar zijn handen, die helemaal misvormd zijn en naar het verkeer. Praten kunnen we niet, maar aan een van de Engels sprekende jongens had hij gisteren gevraagd waarom ik niet bij hem was geweest. Dus vandaag moest het maar weer even gebeuren.



Ik had gisteren dit bericht willen versturen naar jullie toe via het internetcafé in het enige echte hotel in Kabul: het Inter Continental hotel. Alle belangrijke pieten (en een enkel Marietje) logeren hier en er is een uitgebreide bewaking. En er is dus een internetcafé. Het is duur, maar het werkt wel. Ik kon tenminste mijn mailbox inkijken. Maar dat versturen is niet gelukt, omdat we onverwacht naar Ghazni zijn gegaan. Er was iemand met een auto en we konden meerijden. 



Ghazni ligt ongeveer 150 kilometer van Kabul vandaan. Ook hier woont een deel van de te bezoeken familie. De weg, waarlangs we reden, was totaal verwoest en is dit jaar weer opnieuw aangelegd. De bermen zijn nog niet overal klaar. Het dal, waardoor de weg loopt, was altijd belangrijk voor de landbouw. Er is een uitgebreid systeem van irrigatie door een soort terrassenbouw. Vooral tarwe werd er verbouwd. Maar vanwege de oorlog zijn bijna alle boeren gevlucht en is het land verwaarloosd en de droogte heeft dat werk afgemaakt.



Langs de weg zie je heel veel verwoeste huizen. Nu beginnen de boeren terug te komen vanuit Iran en Pakistan. UNICEF heeft overal tenten neergezet waar de teruggekeerde mannen kunnen wonen, terwijl zij hun huizen weer opbouwen. Dat herken ik van Bosnië. Tegen de bergen liggen hier en daar nog (de resten van) dorpjes. Ze hebben dezelfde kleur als de grond. Ze zijn moeilijk te zien. Soms alleen als verstoring van de structuur van het land zelf. De huizen worden weer net zo opgebouwd als al eeuwen werd gedaan: een houten skelet, opgevuld met stenen en opgevuld en afgesmeerd met een mengsel van leem, water en stro. Ook het (platte) dak wordt van deze substantie gemaakt. De boerderijen worden gebouwd binnen een omheining van ook weer deze samenstelling.



Er rijden dan ook nogal wat vrachtwagens uit Pakistan met heel hoog opgeladen stro. Ze storten dat ergens langs de weg. Regelmatig komen langs deze weg ook kuddes schapen of geiten. Of er loopt iemand met een paar graatmagere koeien. Ook gaan er karavanen kamelen met spullen langs. En hier en daar zie je de tenten van nomaden, die rondtrekken met schapen, kippen, geiten en kamelen. Ze voorzien het land van melk, eieren en vlees. Als het koud wordt, trekken ze naar Pakistan, daar is het in het winterseizoen warmer.



Een tochtje met een taxi gemaakt. Langs allerlei plaatsen waar belangrijke mannen zijn begraven. Wat ik interessanter vond waren de dorpjes waardoorheen we reden en de uitzichten. Het is een woestijnachtig landschap met bergen daarachter. Hier en daar zijn nog wat groene plekken, maar verder is alles zandkleurig, ook vanwege de langdurige droogte.



Het bericht was aanvankelijk dat ik in burka zou moeten gaan. Maar uiteindelijk werd besloten dat een grote sjaal, die over hoofd, schouders, rug, armen enbuik hangt, ook voldoende was. En dat was al vervelend en warm genoeg. Ik heb me daar lopen worstelen met dat ding. Gelukkig bracht Monesa hem af en toe weer in fatsoen.



En een meisjesschool bezocht in Ghazni. Heel interessant en onthutsend. Maar daarover een andere keer.



Omdat we nog steeds in Ghazni zijn, waar geen e-mail mogelijk is ga ik maar door met deze brief.


Alsmaar bezoek: de oom van de zus van de neef ...
En maar praten. ‘t Liefst door elkaar heen en steeds harder.

En theedrinken. Een kopje staat nooit langer dan 15 seconden leeg.

Gelukkig kan ik me goed afsluiten van dat gepraat. Denk aan mijn eigen dingen. Of luister naar woorden die Nederlands klinken. Of ga lekker buiten zitten met een boek of met de computer.
Vanavond een leuk gesprek gehad met de neef van ....enz.

Hij vroeg wat ik van Afghanistan vind. Ik zei: “Mooi, maar er zijn grote problemen.” Dat beaamde hij. Hij vroeg: “Zou je hier willen werken?” Ik zei dat ik dat onder voorwaarden zou willen: corruptiebestrijding, gelijkheid voor mannen en vrouwen. Want ik heb de schurft aan die rot sjaal. Dan mag ik nog blij zijn dat ik geen burka hoef te dragen. De neef was het met mij eens, dat vrouwen alle banen zouden moeten kunnen krijgen en evenveel moeten worden betaald. Ook dat mannen en vrouwen samen moeten kunnen werken.
Maar toen ik weer over de sjaals en de burka begon, kreeg ik, zoals altijd, als antwoord: “Ja, maar wat kunnen we doen? De Taliban.”
Mensen laten hun hele leven hier bepalen door de Taliban. Die is ook heel sterk buiten Kabul, maar met deze houding kom je er nooit vanaf. Eerst maar de verkiezingen. Het moet stapje voor stapje.



Op dit erf woont een gezin met 11 kinderen, waarvan er inmiddels drie zijn getrouwd. De man was sjouwer van hout dat van vrachtwagens uit Pakistan moet worden geladen. Ook dat wordt met de hand gedaan. Kranen zijn hier niet te betalen voor een bedrijf. Maar ach, zo blijft de werkgelegenheid op peil.

Deze man was bijna twee maanden geleden plotseling gevallen. Naar het ziekenhuis gebracht en naar het verhaal luidt 30 injecties gehad. Niets hielp: hij is over zijn hele linkerkant verlamd. 
Nu is er in dat gezin geen inkomsten meer. Behalve als de kinderen uit bedelen gaan en dat moet dan ook. Anders hebben ze helemaal niets meer te eten. Nu hebben ze tenminste nog water en brood. Toen ik vroeg hoe het nu verder moet, haalde de vrouw haar schouders op. Gelukkig mogen ze hier blijven wonen, ook al betalen ze geen huur meer. Er is hier niet alleen maar corruptie.

Een tante is door de oudste zoon van een gezin buiten de deur gezet. Ik weet niet waarom. Misschien omdat het een mond teveel is die gevoed moet worden, of omdat ze te veel ruzie maakt, wie zal het zeggen. Maar deze vrouw is niet getrouwd, woonde dus bij het gezin van haar broer en kan nu nergens naartoe.

Voor dit soort vrouwen zou ik een huis willen hebben. Maar dan wel in Kabul, want hier zou een huis met vrouwen al snel door de Taliban worden bestookt, zeggen de mensen hier. Maar ook in Kabul zou het huis een bordeel worden genoemd, met alle gevaren vandien. Toch moet het in Kabul mogelijk zijn. Er zijn heel veel vrouwen hier die geen kant uit kunnen en zonder werk zijn. En uitkeringen bestaan hier niet. Ook de vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben zouden een veilige plaats moeten kunnen vinden. Maar dat is waarschijnlijk hier voorlopig nog onbespreekbaar. Huiselijk geweld wordt wel door al mijn gesprekspartners het grootste vrouwenprobleem genoemd.

Deel 2
Hier weer een bericht vanuit Afghanistan. Steeds krijgen jullie (losse) stukjes over wat ik hier zie en hoor.
Ik hoop dat het een beeld geeft van het leven hier. Ik heb al heel wat gesprekken met vrouwen gehad, maar daarover een andere keer meer. En ook over de scholen hier.


Met de taxi de stad in. Is een aanslag op je rust. Je gaat aan de kant van de weg staan totdat er vanzelf een taxi stopt. Dan onderhandel je hoeveel je moet betalen en daarna stap je in. Het verkeer is echt een ramp voor ons Nederlanders. Alles rijdt kriskras door elkaar, voegt in en uit naar believen. Soms steken ze een arm uit het raam, maar meestal gaat het via de claxon. De chauffeur van een taxi die wij hadden duwde met zijn volle hand de claxon in. Maar toen hij zijn hand er weer vanaf haalde, ging de claxon gewoon door. De man begon er toen maar eens op te rammen en toen was het weer stil. Althans in onze auto. Want iedereen toetert vrolijk en constant door elkaar heen.

Ik heb één stoplicht gezien. Dat stond op rood. Maar iedereen rijdt gewoon door. Alleen voor de verkeersagenten, die op drukke kruispunten met een spiegelei staan te zwaaien, hebben de chauffeurs ontzag. Iemand bood een auto aan om te gebruiken. Maar daar waag ik me niet aan.


De maaltijden.
Het ontbijt bestaat uit het platte brood met thee. Wij hebben wat jam gekocht in de internationale winkel en dat vindt gretig aftrek hier.


De lunch (ongeveer 13.30 uur) is uitgebreid, met rijst, aubergine met tomaten gebakken voor mij als vegetarier, en gekookte stukken aardappel, brood, lenteuitjes die je afknabbelt en yoghurt. Voor de anderen is er steeds een klein gehaktballetje of een stukje kip bij. Maar dit zijn de maaltijden van de meer welgestelden. De minder draagkrachtigen eten rijst met bruine bonen, een aardappel en brood. En lang niet altijd vlees erbij.
Ik krijg er steeds een lepel bij, maar de familie eet met de hand en van de schaal. Ze kneden van een beetje rijst met yoghurt een soort balletje en stoppen dat heel handig in hun mond. Ook de kinderen kunnen dat heel goed.

Na de lunch gaan de meesten een uurtje slapen. Ik ook, want ik ben ontzettend moe van het op de grond leven. De eerste week had ik ook behoorlijk pijn mijn rug. Dat is nu over, maar het blijft vermoeiend.


Het diner


(ongeveer 21.30 uur) bestaat ook weer uit veel rijst, een prutje van tomaten, uien en peterselie met citroensap en zout aangemaakt en brood. Maar soms is er iets bijzonders. Zoals okra’s, of spagetti, maar dan op z’n Afghaans.En na het eten uiteraard weer thee. Wie eral zit begint onmiddellijk te eten, ook al staat nog niet de helft ‘op tafel’.

De ‘keuken’ is een aparte ruimte. Soms een hokje op het dak. Maar ook veel mensen koken buiten. Vooral die weinig leefruimte hebben. Vrouwen koken op een klein soort houtkacheltje, of op houtskool. De meer welgestelden koken op butagas.

De vloeren zijn helemaal bedekt met tapijten. Die zijn hier goedkoop en in allerlei maten te koop in de stad. In de dorpen gaan er mensen langs de deuren met tapijten op hun schouders om te verkopen. Mensen hier zitten op een soort matrasjes op de grond. Die liggen langs alle wanden. Ook die zijn bekleed met tapijt. Echte “Afghanen”! Er zijn kussens voor in je rug.In een hoek ligt een stapel dekens en doeken voor het slapen, netjes omwikkeld door een grote doek. Als je slaap hebt, laat je je op je zij glijden, trekt een kussen onder je hoofd en slaapt, terwijl iedereen gezellig verder met elkaar praat. Ook ‘s nacht slaapt men op deze (dunne) matrasjes. Kleren houdt men aan en zo nodig doet men een deken over zich heen. Maar nu is het ‘s nachts nauwelijks kouder dan overdag, dus ligt iedereen zo in zijn/haar kleren. Op een matje of zomaar ergens op de grond. Niemand heeft een vaste plaats en iedereen slaapt door elkaar heen. Hoe hier zoveel kinderen in een gezin kunnen komen, is mij een raadsel, want privacy is er niet. Alleen in bij de welgestelden is meer ruimte.

Je kunt met een taxi reizen, maar er rijden ook bussen. Die zijn aanzienlijk goedkoper, dus voor arme mensen. Ze zijn altijd heel erg vol. Voorin zitten en staan de vrouwen, in het achterste 2/3 deel de mannen. In de deuropening staat iemand te schreeuwen waarheen de bus gaat en die verkoopt ook de kaartjes. Hij doet dat pas als de bus alweer rijdt. Een kaartje kost, waar je ook uitstapt, twee afghani per persoon. Dat is ongeveer 5 eurocent.


Een bruiloft.

Het feest vindt plaats in een restaurant of andere feestzaal. Er moeten wel twee zalen zijn, de een voor de vrouwen, de ander voor de mannen. In beide zaaltjes speelt een bandje met een zanger. In de ene zaal dansen de vrouwen, in de andere de mannen.


Na een poosje komt het bruidspaar de vrouwenzaal in en gaat zitten op de daarvoor bestemde bank. Het dansen gaat gewoon door.De bruidegom heeft het kennelijk naar zijn zin. Praat en lacht met iedereen. Maar de bruid doet alsof ze het heel erg vindt. In een aantal gevallen zal dat ook wel echt zo zijn, omdat de meeste huwelijken gearrangeerde huwelijken zijn. En trouwen betekent, dat de vrouw bij haar eigen familie weg moet, want ze moet bij de man intrekken en die blijft thuis. En als je pas 16 of 17 bent, is het best moeilijk om van je vertrouwde omgeving weg te moeten gaan, dat enge leven tegemoet.


Als de kamer niet al te vol is met bezoek, rolt iemand, die wil bidden, zijn matje in de kamer uit en bidt daar uitgebreid. De rest van de aanwezigen praat en lacht gewoon door. Als het wel druk is, doet men dat in een andere ruimte.
Praten en lachen doen de mensen hier trouwens de hele dag door. Ik heb nu één huis gezien, waar wat boeken stonden: de man is rechter en het zijn studie- en wetboeken. 


De kinderen hebben geen speelgoed. Ze zitten en hangen en luisteren en kijken. Een meisje van 3 _ jaar oud schilde perfect een peer, met een scherp mes.


In Kabul heeft iedereen stromend water. Maar iedere dag komt er wel een paar uur geen water uit de kraan. In grote jerricans heeft iedereen een voorraadje staan. In Ghazni hebben de huizen een slang op het erf, alleen komt daar al enkele maanden geen water meer uit of maar een kwartiertje per dag. Water haalt men op de straat, waar pompen zijn geslagen door de ISAF. Overal zie je dezelfde pompen in de steden en dorpen.

Deel 3
Of ik begin te wennen aan de warmte, of het wordt echt minder warm. Maar het gaat steeds beter om de warmte te verdragen. Ook het op de grond leven went. De pijn in mijn rug is verdwenen en ik houd het langer in kleermakerszit-houding uit. Maar veeg nog steeds bij het wakker worden kilo’s zand uit mijn ogen. En snuit nog steeds modder. Bovendien loop ik constant te niezen. Dat allemaal van het stof, dat opwaait door de wind en de uitlaatgassen. Frisse lucht, dat is wat ik hier vreselijk mis. Daar snak ik naar zo langzamerhand.

De oorzaak van deze narigheid is de droogte. Het heeft al een paar jaar niet geregend. Maar van december tot februari ligt er wel sneeuw. Daarna is het weer droog. En dus stoffig. Want de grond is van leem.


Privacy is nog steeds moeilijk te veroveren. Het wordt nu wel wat gemakkelijker om alleen naar buiten te gaan: bij de schoenmaker even zitten, naar het internetcafé, zelfs lopend. Dat deed ik gisteren ook. Ik liep heerlijk om me heen te kijken. Maar vergat op de grond te letten. Dus had ik een knie die tweemaal zo dik was dan normaal. Maar ook dat is al weer een beetje over. Lopen doen mensen hier niet. Je gaat met de bus, maar beter is om met de taxi te gaan.

Alle taxi’s en trouwens ook bijna alle andere auto’s zijn Toyota’s. Toyota heeft Afghanistan veroverd. Een heel enkele Mercedes rijdt hier rond. Die is van een bobo.
‘s Avonds zit ik graag op het dak. Daar wordt dan de afwas gedaan en gezellig gekletst. (Ik mag niets doen, berust daar nu maar in en laat me nu verwennen als een soort koningin.) En ik zit lekker te kijken naar het verkeer beneden. Er zijn maar heel weinig auto’s met een complete lichtinstallatie. Of de voorverlichting is half, of de achterlichten half of helemaal niet. En soms allebei. Dat er niet veel meer ongelukken zijn dan nu is een wonder. Ook motoren rijden vaak zonder licht en fietsers schijnen helemaal nog nooit van verlichting te hebben gehoord.

Kinderziekenhuis Atatürk.

Er werken tien artsen in dit kinderziekenhuis. Drie artsen liepen er nu rond. Het gaat om kinderen tot 12 jaar, maar er was nu slechts een enkele ouder dan 3 jaar. Iedere arts heeft zijn eigen afdeling. Wij zagen twee mannelijke artsen en een vrouwelijke. Er is een afdeling voor kinderen met hersenvliesontsteking. Deze zaal is vol. Een voor kinderen met eetstoornissen. (Er is veel hongeroedeem.) Een voor kinderen met diarree (schrijf je dat zo?) en een voor kinderen met allerlei andere ziektes. 


Zodra de diagnose is gesteld en het iets oudere kind kan naar een regulier ziekenhuis, wordt het daarheen gebracht. De kleintjes blijven hier. Als ze het overleven, want een kwart van de kinderen in het ziekenhuis sterft. Op zich kunnen de artsen de meeste kinderen goed helpen, zeggen ze, maar als de moeders pas in een later stadium naar het ziekenhuis komen, wordt het meestal zeer kritiek. En de moeders uit de dorpen, waar geen klinieken zijn, komen bijna altijd zeer laat. 


De kindersterfte in Afghanistan voor kinderen onder de 4 aar in totaal is 15%.


Het verschijnsel huisarts bestaat niet in Afghanistan, maar in Kabul zijn wel particuliere klinieken van artsen die boven een apotheek een soort spreekuur houden. Die stellen een diagnose en dan gaan de mensen zonodig naar een ziekenhuis. Of ze gaan rechtstreeks daarheen.


Er zijn slechts enkele verplegers in dit ziekenhuis. Die zorgen voor de medicijnen en zijn een soort supervisor voor de moeders, die zelf hun kinderen verzorgen en voeden. Zij zijn dag en nacht bij de kinderen. Naast het bed van het kind staat een bank waarop de moeders kunnen zitten en slapen. 


Ieder bed wordt gebruikt voor twee kinderen, ieder aan een eind. Het zijn oude ziekenhuisbedden met een spiraalbodem die helemaal doorgezakt is. Er ligt een heel dun rubber matrasje op en een lap die als laken dient. Twee keer per week wordt er water warm gemaakt en kunnen de moeders zichzelf en hun kind wassen. Het eten voor moeder en kind is gratis. De moeders wassen zelf alle kleren. Die hangen buiten over het hek te drogen.


Zoals alle ziekenhuizen kampt ook dit met een tekort aan medicijnen. “Maar zo erg als het in de oorlog was, toen er zonder verdoving met een bijl moest worden geamputeerd, is het niet meer,” aldus een van de artsen. Er is een operatiekamer, daar staan enkele instrumenten, maar ook ik als leek kan zien dat het er weinig zijn.


De afdeling intensive care is een gewone zaal. Er staan stangen met infuus klaar voor voeding van de kinderen, als ze niet voldoende eten en drinken. En voor het toedienen van medicijnen als dat niet oraal wil. Moeders lopen in en uit, ook nieuwe moeders met zieke kinderen. Die willen onmiddellijk de dokter spreken. Ook wij komen zo binnen. En niemand is ontsmet of heeft speciale kleding aan. Ook het bezoek, broertjes en zusjes, lopen in en uit. Maar dat is voor de kinderen die in Kabul wonen. Vanuit de dorpen is het te ingewikkeld om te reizen om even op bezoek te komen.
Soms voel ik me opstandig.

Deel 4
Hier een laatste verhaal vanuit Afghanistan over deze reis. Ik ben er ook wel aan toe om weer naar Nederland te gaan. Want ik ben de zandbak en stofzak Afghanistan en Kabul flink zat. Ook het lawaai en de verstikkende sociale controle ben ik beu. In Gaza woonde ik met een collega zelfstandig en dat was heel goed drie maanden uit te houden. Maar hier vind ik het zo langzamerhand heel moeilijk om vier weken zo weinig privacy te hebben. Toch probeert de familie, waar ik logeer, me af en toe alleen te laten. Maar dat is in een groepscultuur heel moeilijk. Alleen als ik met de computer bezig ben, blijven ze langer weg dan een kwartier. Maar ook daarna komt er steeds iemand bij me zitten, “omdat ik anders alleen ben”. Men kan zich hier niet voorstellen dat dat juist heerlijk is af en toe.


Een van eerste dagen vertelde Satter,de broer van Monesa, dat hij tijdens de Taliban zijn baard moest laten groeien. En een doek op zijn hoofd gedraaid moest hebben. Hij leek daar niet blij mee. Maar er was op dat moment niemand om te vertalen, dus ben ik er niet op verder gegaan. ‘s Avonds vertaalde zijn zoon weer. En toen zei hij dat de Taliban ook goede dingen had gedaan. Op mijn vraag “wat” antwoordde hij, dat er toen geen dieven waren, dat alles heel veilig was. Van dieven werd zonder pardon de hand afgehakt. Voor mannen was het niet eens zo’n erg slechte tijd. Er waren enkele dingen die niet zo goed waren. Een ervan was de situatie voor vrouwen. De meisjes mochten niet naar school en vrouwen mochten niet alleen naar buiten. Daar stond tegenover dat iedereen een eigen auto had en daarmee konden de vrouwen wel weg. Hoewel geen vrouw zelf kon rijden. Vrouwen mochten niet (en mogen dat buiten Kabul nog niet) alleen op straat, er moe(s)t altijd een man of een jongen mee.


Een ander vervelende situatie was dat je vijf keer per dag moest bidden. Als je dat niet deed, volgde een flinke straf. En dat je elkaar niet mocht ontmoeten op straat. Alleen bij elkaar thuis. En de mannen mochten niet naar meisjes en vrouwen kijken. Dus liepen die allemaal zwaar gesluierd over straat. De conclusie was dat het toch niet zo’n fijne tijd was.


De winkels van bijvoorbeeld kleermakers en schoenverkopers werden vernietigd als ze rechtstreeks aan vrouwen verkochten. Want dan moesten die mannen naar een vrouwenvoet of zelfs meer kijken.


Er is pas sinds kort televisie. En er mag nu weer naar muziek worden geluisterd en worden gedanst. Althans in Kabul. In Ghazni probeert de Taliban nog steeds er achter te komen of iemand TV kijkt. Als ze dat merken, wordt de hele boel kort en klein geslagen.

Massoud is de grote held van het land, vinden heel veel Afghanen. En Karzai moet de verkiezingen winnen. Vindt Hodji. Maar dat zal vast alleen maar een bepaalde groep met hem eens zijn. Want er zijn ook veel mensen die van mening zijn dat Karzai te veel aan de leiband loopt van de Amerikanen. Er was iemand, een intellectueel, die mij zei dat de Amerikanen bepalen met wie Karzai contact heeft en langs welke wegen hij rijdt. De waarheid zal er wel tussenin liggen.

Het grote probleem voor Karzai zal zijn om zijn kabinet zo samen te stellen, dat alle groepen in het land tevreden zullen zijn. Zodra zich een groep benadeeld voelt is er oorlog, misschien zelfs wel letterlijk. Want volgens mensen die ik heb gesproken zijn niet alleen de Taliban en de Mudjahedin nu gevaarlijk, hoewel die nog steeds overal zijn vertegenwoordigd, maar zijn het vooral de problemen die de clans met elkaar hebben. En de sociale onrust kon nog wel eens een gedoe opleveren. Er is weinig werk en men neemt eerder Pakistani aan, omdat die hard werken. Afghanen doen het wat rustiger aan.


Maar gisteren trok een demonstratie langs ons huis van Afghaanse mannen, die om werk riepen en scandeerden. Ik was te laat om te zien hoeveel mensen ongeveer meededen, maar aan de opstopping van het verkeer daarna te oordelen, was het een flinke demo. Ook Satter en Fauzia zeiden dat er veel mensen aan mee deden. Ik heb nog wel enkele spandoeken gezien.

Bovendien betalen de buitenlandse organisaties aan werknemers meer dan de Afghaanse organisaties kunnen doen. Ook dat geeft scheve verhoudingen. Dat gebeurt trouwens niet alleen in dit land. Er is geen enkele vorm van uitkering. Ik denk dat dat ook jaren zal duren vanwege de ultuur. Hier heerst een groepscultuur. Dat betekent dat men in familieverband leeft. Alles en iedereen die buiten de familie valt, hoort er ook echt niet bij en zal ook niet geholpen worden. Voor familieleden doet men alles. Als iemand op straat valt, lachen de omstanders, maar niemand schiet te hulp.

De groepscultuur kan ook voor een deel de corruptie verklaren. Er is een heel wankel evenwicht tussen wel of niet aanwezig zijn van ISAF. Want als ISAF te dicht bij de Talibangebieden of gebieden van de Mudjahedin komt (en dat is overal behalve in Kabul) ontstaat er weer oorlog. De Taliban en de Mudjahedin hebben voldoende wapens en raketten om de strijd weer aan te gaan. Zelfs in Kabul is het militair gezien niet helemaal veilig. Want deze week zijn er enkele raketten afgeschoten op Kabul.


Toch zag ik dorpjes om Ghazi heen een enkele Amerikaanse militaire patrouille. De soldaten gaven de kinderen geld en liepen wat heen en weer. Maar ze wagen zich niet de bergen in, want daar is de Taliban heer en meester, vertelde mijn begeleider.


Op maandag 30 aug.2004 een leuk gesprek gehad met de neef van ....enz. Hij vroeg wat ik van Afghanistan vind. Ik zei: “Mooi, maar er zijn grote problemen.” Dat beaamde hij. Hij vroeg: “Zou je hier willen werken?” Ik zei dat ik dat onder voorwaarden zou willen: corruptiebestrijding, gelijkheid voor mannen en vrouwen. Want ik vind die rot sjaal maar niks. Dan mag ik nog blij zijn dat ik geen burka hoef te dragen. De neef was het met mij eens, dat vrouwen alle banen zouden moeten kunnen krijgen en evenveel moeten verdienen. Ook dat mannen en vrouwen samen moeten kunnen werken. Maar toen ik weer over de sjaals en de burka begon, kreeg ik, zoals altijd, als antwoord: “Ja, maar wat kunnen we doen? De Taliban.”
Mensen laten hun hele leven hier bepalen door de Taliban. Die is ook heel sterk buiten Kabul.

Eerst maar de verkiezingen. Het moet stapje voor stapje. Vanwege de verkiezingen is er veel spanning in het land. Steeds zijn verkiezingsuitzendingen via radio en TV. En bijeenkomsten in Kabul. De Taliban roert zich meer dan anders in de vorm van aanslagen, raket beschietingen en oproepen aan de Pashtun om vooral Bin Laden te verbergen en niet uit te leveren aan Pakistan. Want Pakistan doet zijn uiterste best om hem in handen te krijgen. Ik denk dat dat heel goed zou uitkomen voor de herverkiezing van Bush.

Maar Bin Laden is in Afghanistan, in het berggebied bij de Pakistaanse grens, zegt iedereen hier. Afghanistan heeft volgens mijn gastheer twee grote vijanden: Pakistan en Iran. Beide landen willen Afghanistan in handen hebben om de minerale rijkdommen: goud, zilver, nikkel, een metaal dat belangrijk is voor de computer en telefoonindustrie, diamanten en ook olie en de pijplijn die door het land moet gaan lopen. Op mijn vraag of ook Amerika daar niet op uit is, antwoordde mijn gastheer vol overtuiging: “Nee”. Maar ik denk toch echt niet dat Bush hier soldaten laat sneuvelen en zo veel geld uitgeeft, omdat hij de Afghanen zo aardig vindt. En zoals ik al meerdere keren heb gehoord, is lang niet iedereen het hiermee eens.

Via een rivier gaat er heel veel water van Afghanistan naar Iran. Omdat Iran maar niet opschiet met de aanleg van een spoorweg naar Kabul, zoals afgesproken is, gaat Karzai nu het water naar Iran tegenhouden en gebruiken voor Afghanistan zelf. Wat voor consequenties zal dat weer hebben? Iedereen die ik spreek wil dat de ISAF hier blijft. Maar lang niet iedereen wil dat de Amerikanen blijven. En iedereen zegt: “Eerst de verkiezingen maar eens afwachten.”

Maar niet iedereen wacht de verkiezingen af. Zo is er nu in Herat behoorlijk trammelant. Daar is de Mudjahedin de baas, onder leiding van Ismael Khan. Karzai is nu al bezig om een nieuw kabinet samen te stellen en heeft Ismael gezegd naar Kabul te komen om daaraan deel te nemen. Maar Ismael wil in Herat blijven en heeft geweigerd, omdat hij de Amerikanen uit het land wil hebben. Daarop hebben de Amerikanen gisteren een paar kantoren gebombardeerd. En als antwoord daarop weer hebben de Mudjahedin kantoren van Unicef enz in brand gestoken. 


De onrust zou nu wel eens goed kunnen uitbarsten. Wij gaan denk ik op tijd terug. Want dinsdagochtend, dus morgen vliegen we naar Dubai. Daar moeten we 11 uur doorbrengen en woensdagochtend gaan we via Milaan naar Schiphol. Woensdagmiddag kom ik dan weer thuis. Van huis uit stuur ik jullie nog wel enkele verhalen, want dat zou nu te veel worden.

Enkele conclusies van deze reis:
    •    een grote belevenis
    •    probeer niet deze samenleving te zien met Europese ogen
    •    er zijn hier grote problemen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, man-vrouw verhouding, armoede en andere sociale gebieden
    •    Afghanistan is een heel arm land
    •    corruptie is een groot probleem
    •    Afghanen kunnen alleen maar hun problemen oplossen op hun manier
    •    wij kunnen helpen als ze er om vragen met wat ze vragen
    •    mensen willen alleen maar rust en vrede

ik zou hier, in deze groepscultuur, niet voor altijd kunnen leven. Ik ben doodmoe, ik denk van steeds mensen om me heen



Vrede in jezelf, Janny